Paul Godefrooij, 10 augustus 2007




En dat in Wasigny

Als een weggeworpen schoen die zijn betekenis heeft verloren bij de ontstentenis van een voet die hij kan omsluiten, zo ligt volstrekt vervreemd van zijn omgeving het voormalige station van Wasigny-la-Neuville in het Ardense landschap zonder enige connectie met trein of spoor. Geen betere plek zou je kunnen verzinnen om je totaal terug te trekken van de wereld en je zonder afleiding te concentreren op de productie van een meesterwerk.

Met die intentie melden zich op 4 augustus 2007 negen aspirant schrijvers in Wasigny bij hun gepassioneerde schrijfdocente die hier voor de duur van een week domicilie heeft gekozen. Zij laten zich voeden en laven door een roodharige Keltische maagd die zich de reïncarnatie van de laatste stationchef waant. De maagd laat op haar beurt het echte werk doen door een jonge brildragende bosnimf die haar eerste aarzelende schreden zet op het pad van zelfstandigheid.

Na een week van vechten met ideeën, zweten, huilen, vloeken, krassen en verscheuren leggen de negen schrijvers zich neer bij het niveau van hun talent. Terwijl ze elkaar de vrucht voorlezen van hun zwoegen, luisteren maagd en nimf verscholen achter de keukendeur stiekem met hen mee. In de stilte van hun ademhaling horen de voorlezende schrijvers de kreten van bewondering en de zuchten van emotie van de twee. Door deze kleine geluiden aangemoedigd besluiten zij ieder voor zich de ingeslagen lijdensweg te vervolgen en zich thuis op te sluiten voor hun eerste roman.

Het zaadje van de verslaving is gezaaid en de zoektocht naar roem voor eeuwig ingezet. En dat in Wasigny.

Paul Godefrooij, 10 augustus 2007